
De naam Ledeboer is in Borne vooral verbonden met de machinefabriek die Johan Marie Ledeboer in 1871 mede oprichtte. Vanaf 1868 woonde hij met zijn gezin — vader, moeder, drie zoons en een dochter — in het herenhuis aan de huidige Grotestraat 264, destijds de straatweg naar Almelo. De zoons Aat, Bernard en Samuel kozen echter niet voor het bedrijf van hun vader: zij vertrokken naar Nederlands-Indië en bouwden daar een bestaan op binnen de koloniale plantage-economie. Samuel werd op Sumatra chef van een koffie-, thee- en rubberonderneming. Bernard en Aat beheerden koffieondernemingen op Oost-Java en deelden daarnaast een allesoverheersende passie voor de jacht.
Na Bernards dood zette Aat het gezamenlijke werk op de Yang-hoogvlakte voort. De broers hadden daar sinds 1907 een uitgestrekt gebied in erfpacht. Aat ontwikkelde het tot een vrijwel zelfstandig domein waarin plantagebelangen, jacht en natuurbescherming naast elkaar bestonden. Juist die moeilijk te verenigen rollen — ondernemer, jager en natuurbeheerder — maken zijn geschiedenis opmerkelijk en omstreden.
Wadoeng-West
Aat Ledeboer zette samen met zijn broer Bernard drie ondernemingen op. De oudste was Wadoeng-West in Bremi-Pejarakan, waar in 1913 de eerste koffiestruiken werden aangeplant. De plantage lag op de vruchtbare hellingen van de vulkanische bergen van Oost-Java, waar hoogte en regenval gunstige omstandigheden boden voor de plantagelandbouw.
De koffie werd op de onderneming niet alleen verbouwd, maar ook verwerkt in drie goed uitgeruste koffie-etablissementen met drooghuizen. Een stoommachine leverde de energie voor het droogproces en andere werkzaamheden. Naast koffie werd rubber verbouwd. De broers moderniseerden de bedrijfsvoering en vergrootten de productiecapaciteit.
Bedrijfsorganisatie
In de eerste jaren voerden Bernard en Aat beurtelings zelf de leiding over de ondernemingen. Naarmate het bedrijf groeide en de financiële mogelijkheden ruimer werden, veranderde ook de organisatie. Twee Europese administrateurs en vier assistenten werden aangesteld om de dagelijkse leiding en het beheer te ondersteunen. De ondernemingen ontwikkelden zich daarmee van een door de familie geleid bedrijf tot een professionele koloniale onderneming met een eigen managementstructuur.
Arbeidsverhoudingen
Op de plantage werkten 1.500 contractarbeiders, hoofdzakelijk afkomstig van Madura, het eiland ten noorden van Oost-Java. Tijdens de oogstperiode verdubbelde dat aantal. Volgens de geraadpleegde bronnen kende de onderneming voor haar tijd enkele opvallende personeelsvoorzieningen. Contractarbeiders ontvingen naast hun loon een eindejaarsuitkering, ook wanneer de oogst mislukte. De onderneming betaalde bovendien hun medische behandeling en liet daarvoor een eigen voorziening bouwen. Deze maatregelen boden enige inkomenszekerheid en medische ondersteuning, maar moeten worden bezien binnen het koloniale stelsel van contractarbeid.
Natuurbeschermer én jager
De jacht was voor de broers een grote passie en meer dan een tijdverdrijf. Zij trokken er regelmatig op uit en beschikten over de middelen om op groot wild te jagen.
Ze waren omstreden figuren in Oost-Java en stonden bekend als bekwame tijgerjagers. Het tweetal claimde meer dan honderd tijgers te hebben gedood, maar speelden tegelijk een rol in de vroege particuliere natuurbescherming in Nederlands-Indië. Die combinatie lijkt vanuit hedendaags perspectief tegenstrijdig, maar kwam onder vroeg-twintigste-eeuwse natuurbeschermers vaker voor. Aat was lid van de in 1912 opgerichte Nederlandsch-Indische Vereeniging tot Natuurbescherming, één van de eerste natuurbeschermingsorganisaties in Nederlands-Indië.
Trofeeën
In hun huis op Wadoeng-West was een bijzondere plaats ingeruimd voor de jacht. Een gedeelte diende als trofeeënkamer, waar de buit van vele jachtpartijen aan de wanden hing. Hoorns, geweien en andere trofeeën herinnerden aan expedities die Aat en Bernard in Afrika en op de uitgestrekte vlakten van Java ondernamen.
Veel vroege natuurbeschermers waren planters en jagers die vanuit hun kennis van de fauna bescherming van leefgebiedenbepleitten. In hun opvatting was de verantwoordelijke jager niet alleen gebruiker van het landschap, maar ook beheerder van het gebied en bewaker van de wildstand. Vanuit dat denkbeeld ontwikkelden de broers hun visie op de Yang-hoogvlakte, die zij sinds 1907 langdurig in erfpacht hadden. Zij wilden het aangetaste plateau herstellen en opnieuw beheren.
Koerswijziging
Maar na de tragische dood van zijn broer stond Aat alleen voor het beheer van hun ondernemingen en de hoogvlakte. Bernard, die Bèr werd genoemd, kwam tijdens een jacht in Kilossa in Tanzania om het leven door een aanval van een olifant. Volgens tijdgenoten speelden onvoorzichtigheid en onvoldoende bewapening daarbij een rol. Zijn stoffelijke resten werden bijgezet op een begraafplaats in Mombassa. Na 1926 verschoof Aats aandacht steeds sterker van de jacht naar particulier natuurbeheer.
De Yang-hoogvlakte
De Yang-hoogvlakte is een glooiend landschap op ongeveer 1.800 tot 2.400 meter boven zeeniveau. Negen bergen omringen het plateau; de Argopuro is met 3.088 meter de hoogste. Het gebied voedt veertien rivieren en omvat twee meren. In de oude Javaanse traditie gold het plateau als ‘het land van God’. De broers hadden er 1.100 hectare voor 75 jaar in erfpacht en koesterden grote plannen voor het herstel en gebruik van het gebied.
Herstel en beheer
Na Bernards overlijden zette Aat hun plan voort om het door branden, overbegrazing en ongecontroleerde jacht aangetaste berglandschap te herstellen. Hij voerde regels in ter bescherming van onder meer Javaanse herten, pauwen en wilde eenden; illegale jacht en vuurwapens werden verboden. Tegelijk bestreed hij roofdieren zoals de adjak (wilde hond) en de zwarte panter, liet hij hellingen herbebossen en plaatste hij zoutlikblokken voor herten. Volgens latere beschrijvingen groeide de hertenpopulatie sterk. Deze vorm van wildbeheer combineerde bescherming met actief ingrijpen en verschilt daarmee van hedendaagse opvattingen over ecologisch natuurbeheer.
Publicaties en beeldvorming
Aat Ledeboer publiceerde vooral in de jaren dertig over bosbeheer, waterhuishouding en het belang van het Hyang-gebied voor de landbouw in Oost-Java. Ook verschenen later in Indonesië historische artikelen over het plateau en de gebroeders Ledeboer.Deze publicaties dragen bij aan het beeld van Aat als beheerder, maar moeten worden gelezen naast bronnen over de plantage-economie, jachtpraktijken en koloniale machtsverhoudingen.
Residentie, sanatorium en vliegveld
De plantage Wadoeng-West vormde de uitvalsbasis voor de exploitatie van de hoogvlakte. Aat ontwikkelde het gebied tot een combinatie van natuurreservaat, veeteeltbedrijf, jachtterrein, bergresidentie, sanatorium en toeristische bestemming. Ook had hij plannen om een 3,5 kilometer lange kabelbaan aan te leggen.
Op het hoogst gelegen en meest geïsoleerde perceel bouwde Ledeboer zijn woning. Op die hoogte lag ook het aangelegde vliegveld: een grasstrip van ongeveer 100 bij 900 meter. Het doel was een snelle verbinding met de kust, bevoorrading, vervoer van gasten en medische evacuatie.
Het eerste vliegtuig landde er op 21 mei 1935: een tweedekker, De Havilland Moth, bestuurd door G. Sturler. Aat Ledeboer vloog mee als passagier.
Het misschien wel meest opmerkelijke project was het plan om een bergsanatorium te stichten. De hoogvlakte kende een koel klimaat en schone lucht, en daarvan wilde Ledeboer gebruikmaken, vergelijkbaar met de sanatoria die men in Zwitserland kende. Voor zover nu bekend werd het geen groot ziekenhuis, maar eerder een luxe bergverblijf waar patiënten en gasten langere tijd konden verblijven.
Conflict met gouvernement
Het particuliere beheer van een vrijwel volledig hoogplateau leidde tot spanningen met het gouvernement en kwam zelfs in de Volksraad aan de orde. De discussies gingen onder meer over grenzen, houtkap, jacht en waterrechten. Ook de afgelegen ligging maakte toezicht en handhaving moeilijk. Ledeboer, in literatuur inmiddels de ‘Koning van de Yang’ genoemd, pleitte voor strengere regels en zwaardere sancties tegen overtredingen; volgens de geraadpleegde bronnen wist hij daarvoor steun in de Volksraad te verkrijgen.
Overlijden
Toen Japan in 1942 Nederlands-Indië bezette, werd Aat Ledeboer geïnterneerd. Onder gevangenenummer 40873 verbleef hij in kamp Baros 5 in Cimahi, West-Java, waar hij op 19 maart 1945 onder erbarmelijke omstandigheden stierf. Dat was vijf maanden vóór de Japanse capitulatie. Hij ligt begraven op het ereveld Leuwigajah.
Onvoltooide nalatenschap
Zijn initiatief heeft geen zelfstandig voortbestaan gehad na de koloniale periode en de Japanse bezetting. De particuliere erfpacht verdween uiteindelijk na de Indonesische onafhankelijkheid. Volgens Doni Mahdi, coördinator van het programma ‘Zout voor herten’, heeft Ledeboer de huidige generatie een onvoltooide taak nagelaten. Om het Javaanse hert op het Yang-plateau te beschermen, zijn volgens hem samenhangende maatregelen nodig. Menselijk ingrijpen moet de ecologische balans in het leefgebied helpen herstellen. Het huis van Ledeboer en het gastenverblijf zijn inmiddels onherstelbaar beschadigd.
Erfenis
De gebroeders Ledeboer verdienen een plaats in de geschiedenis van Borne: twee Bornse ondernemers die op Oost-Java een vrijwel onbekend domein opbouwden waarvan de sporen lokaal nog altijd zichtbaar zijn. Hun nalatenschap is echter dubbelzinnig. Ondernemerschap en vroeg particulier natuurbeheer gingen samen met koloniale machtsverhoudingen en grootschalige jacht. Juist die combinatie maakt hun geschiedenis opmerkelijk en relevant voor een hedendaagse lezer. (HN)
Bij de foto’s van boven naar beneden:
Bronnen: Gemeentearchief Borne; A. Hulshoff, ‘De gebroeders Ledeboer’; Achmad Budiman, ‘De laatste koning van het Hyang-koninkrijkbelandde in een Japans interneringskamp’; Delpher. Foto’s: Beeldbank Gemeentearchief Borne; Wereldmuseum Amsterdam.
© BorneBoeit. Op onze artikelen en beeldmateriaal rust copyright.
Voor meer informatie raadpleeg de spelregels.