
Tot ver in de negentiende eeuw werd in Borne het vee voornamelijk in huiselijke of agrarische kring geslacht. Op de erven was slacht en vleesproductie onderdeel van het dagelijks leven. Gemeentelijk toezicht was minimaal en beperkte zich tot incidentele maatregelen bij stankoverlast, besmettingsgevaar of uitbraken van dierziekten. De slacht van vee, thuis, op de boerderij of lokaal georganiseerd door de slager zelf, kwam aan het einde van die eeuw steeds meer onder regelgeving en toezicht van de overheid te staan.
Toen ruim vijftig jaar later, in het kader van regionalisering, Bornse slagers door het provinciebestuur verplicht werden in Hengelo te slachten en geen eigen slachterij mochten hebben, was de ‘slagersstrijd’ geboren. Een felbevochten kwestie waarin vragen over gemeentelijke autonomie, beroepsvrijheid en evenwichtige lastenverdeling centraal kwamen te staan. Dankzij de vasthoudendheid en het doorzettingsvermogen van het gemeentebestuur en de lokale slagers trok Borne uiteindelijk aan het langste eind. Een terugblik.
Verordening
Tot ver in de 19e eeuw vond het slachtproces meestal plaats achter de winkel of in een kleine particuliere ruimte. Een praktijk die het vleesproductieproces weinig transparant maakte en het ontbrak vrijwel geheel aan gestandaardiseerde gezondheids- of hygiëneregels. Om daaraan tegemoet te komen stelde de gemeenteraad van Borne op 3 juli 1880 een verordening vast, die het vervoer, de verkoop van vee of vlees van vee regelde binnen de gemeente. De bevoegdheid van de burgemeester daarbij was leidend. Hij verleende een schriftelijke vergunning wanneer naar zijn oordeel gebleken was dat er geen nadeel voor de gezondheid bestond. Afgekeurd vlees werd voor consumptie onbruikbaar gemaakt en onder toezicht van de politie begraven op een door de burgemeester te bepalen plaats. Overtredingen werden bestraft met verbeurdverklaring en boetes van vier tot acht gulden. De politie was belast met de handhaving.
Omdat landelijke richtlijnen ontbraken in die tijd, was de inzet van een keuringsarts dus primair een lokale beslissing. De raad benoemde op 29 november 1889 twee keurmeesters ‘van vleesch en slachtvee’, de heren Meijnders en Harink, respectievelijk uit Weerselo en Ambt Delden.
Vleeskeuringswet
Pas in de Vleeskeuringswet van 1919 werd de keuring van vee en vlees verplicht gesteld. Gemeenten kregen de verantwoordelijkheid voor de organisatie en aanstelling van bevoegde dierenartsen. In Borne werd J.G. Schoon als dierenarts benoemd.
De wet voorzag niet in een rechtsplicht voor gemeenten zonder eigen slachtvoorziening om slachtingen in een andere gemeente uit te voeren. Met de Hinderwet (1875 en 1901) werd het wel mogelijk om locaties aan te wijzen waar slacht geoorloofd was en hier regels aan te verbinden. Tussen 1875 en 1920 verleende het gemeentebestuur vergunning aan 12 slagers voor het oprichten van tien slagerijen en elf slachtlocaties, meestal direct gekoppeld aan het bedrijf. De slagers hadden zich intussen in een slagersvereniging verenigd, er was behoefte aan onderlinge afstemming van kwaliteit, verkoop en regelgeving.
Centrale slachtplaats
Voor de Tweede Wereldoorlog werden Bornse slagers ook al verplicht in Hengelo te slachten tegen hogere slachtrechten. Omdat ook de afstand een groot nadeel was, verzocht het gemeentebestuur op 24 oktober 1941 aan de commissaris in Overijssel om enkele lokalen van de voormalige vleeswarenfabriek en exportslachterij van Jan Schoemaker aan de Brinkstraat in gebruik te mogen nemen.
Tot 1935 werd er in dit pand geslacht voor de Nederlandse Veehouderij Centrale. Met feestelijk vertoon werd er begin 1934 de duizendste koe geslacht. In de crisisjaren werd er rundvlees ingeblikt in opdracht van de regering, voedsel voor o.a. werklozen. Schoemaker was Hofleverancier en zijn producten werden meermaals onderscheiden. Jan Schoemaker overleed in 1936.
Na goedkeuring uit Zwolle werd het leegstaande pand in 1942 deels ingericht als centrale slachtplaats van de gemeente, bestaande uit een keurlokaal, slachtplaats en zogenaamde hangruimte. Het werd tot 1955 gehuurd van de erven Jan Schoemaker. Daarna is een deel van het pand nog een tijdje in gebruik geweest bij Bons en Evers.
Conflict
De aanleiding voor het slagersconflict na de oorlog was de ontslagaanvraag medio 1951 van veekeuringsarts H.T. van der Veen in verband met zijn benoeming tot inspecteur van de Veterinaire Dienst in de provincie Utrecht. Zijn vertrek kwam op 6 augustus aan de orde in de gemeenteraad. De vraag was of de gemeente zich nu zou moeten aansluiten bij een gemeenschappelijke regeling ingevolge artikel 20 van de Vleeskeuringswet 1919. Die vraag werd ontkennend beantwoord.
Dwang
Maar de minister van Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Volksgezondheid staken daar een stokje voor. De bewindslieden droegen Borne (kringgemeente) op om gezamenlijk met Hengelo (centrumgemeente) de uitvoering van de keuring van vee en vlees te regelen. Drie maanden na dit Koninklijk Besluit (nr. 7) van 16 januari 1952, moest het besluit worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Werd daaraan niet voldaan, dan was Gedeputeerde Staten bevoegd en verplicht zelf de gemeenschappelijke regeling vast te stellen. Aldus geschiedde op 4 november 1952 toen een besluit van de gemeenteraad van Borne uitbleef.
Artikel 6
Volgens artikel 6 van deze gemeenschappelijke regeling was Borne verplicht een verordening vast te stellen ex artikel 26 van de Vleeskeuringswet. Daarin werden het oprichten, hebben of gebruiken van slachterijen, vilderijen en penserijen in de bebouwde kom van Borne verboden. In de raad van 26 januari 1953 besloot de gemeenteraad geen medewerking te verlenen aan de uitvoering van het gewraakte artikel. In die vergadering werd ook het ontwerp van het in te stellen beroep bij de Kroon besproken en vastgesteld.
Beroep Kroon
In het verzoek tot het doen van een uitspraak motiveerde het gemeentebestuur dat er in bedoelde gemeenschappelijke regeling geen sprake was van gemeenschappelijkheid. Het was meer een dictaat, de stem van Borne werd niet gehoord. Bornse slagers werden, ondanks eerder gedane toezeggingen, gedwongen gebruik te maken van het slachthuis in Hengelo tegen vergoedingen die de gemeente Hengelo vaststelde. Voor een sluitende exploitatie zouden de keurlonen nog aanzienlijk stijgen.
In ongelijk
Het KB van 13 februari 1954, nr. 21 stelde de gemeente in het ongelijk. Het beroep werd niet ontvankelijk verklaard, het werd inhoudelijk niet behandeld omdat niet gesproken kon worden van een geschil tussen de provincie Overijssel en de gemeente Borne. Het gevolg was dat het gemeentebestuur nu een verordening op de keuring van vee en vlees moest vaststellen, die het hebben van slachterijen in de kom van de gemeente verbood.
Weigering
Het besluit werd uitvoerig besproken in de raadsvergadering van 12 juli 1954. De gemeenteraad stelde zich op het standpunt dat keuringsdiensten zeer goed gemeenschappelijk konden worden geregeld zonder een openbaar slachthuis dwingend voor te schrijven. Men bleef dan ook van mening dat het onbillijk en onnodig was een dergelijke verordening in het leven te roepen en weigerde deze vast te stellen.
Intrekking
Dit verweer werd tenslotte door Gedeputeerde Staten aanvaard, bij besluit van 15 maart 1955 werd Artikel 6 van de gemeenschappelijke regeling ingetrokken. Voortaan werden de keuringen voor en na het slachten verricht in Borne op de plaats van de slacht.
De volharding van gemeentebestuur en slagers wierp uiteindelijk haar vruchten af. Het liet zien dat vastberadenheid en onderlinge solidariteit zelfs tegen bestuurlijke druk stand konden houden (HN)
Bij de foto's van boven naar beneden:
Bron: Gemeentearchief Borne; Bornse Courant; Wikipedia; Delpher. Foto’s: Beeldbank gemeentearchief Borne.
© BorneBoeit. Op onze artikelen en beeldmateriaal rust copyright.
Voor meer informatie raadpleeg de spelregels.
Kan er weinig over terug vinden.