
“Nee hoor, ik zeg liever niks.” Het is een zin die journalisten regelmatig te horen krijgen. Op straat, bij een evenement, na een ongeluk of tijdens de aanloop naar verkiezingen: niet iedereen staat te springen om voor een microfoon, een notitieblok of een camera zijn verhaal te doen. De een draait zich simpelweg om. De ander wil wel praten, maar dan liever niet met naam en toenaam. Weer een ander heeft geen enkel probleem met een interview, zolang de camera maar uitblijft.
Voor journalisten is dat geen onschuldig detail. Zonder mensen die hun verhaal willen vertellen, blijft nieuws abstract: cijfers zonder gezicht, beleid zonder gevolgen, gebeurtenissen zonder ervaring. Burgers zijn niet alleen het publiek van de journalistiek, ze zijn er ook de bouwstenen van. Wanneer die bouwstenen wegvallen, wanneer mensen massaal afhaken, zwijgen of alleen nog anoniem willen praten, verandert dat de journalistiek zelf.
Tegelijkertijd staat het vertrouwen in nieuws al jaren onder druk. Daling op daling, zo blijkt uit internationaal en Nederlands onderzoek. De vraag die in deze longread centraal staat, is dan ook: hoe hangen die twee dingen eigenlijk samen? Bepaalt vertrouwen in de journalistiek of mensen bereid zijn om mee te werken aan een interview? En maakt het daarbij uit of je in een stad woont of in een dorp?
Vertrouwen op een dieptepunt
Dat het vertrouwen in nieuws afneemt, is inmiddels een terugkerend gegeven. Het Commissariaat voor de Media werkt sinds 2018 samen met het gerenommeerde Reuters Institute for the Study of Journalism, verbonden aan de Universiteit van Oxford, aan de Nederlandse editie van het wereldwijde Digital News Report. Voor de editie van 2025 zijn in 48 landen ruim 95.000 mensen ondervraagd over hun nieuwsgebruik, hun vertrouwen in media en de manier waarop zij twijfelachtig nieuws controleren, wat de uitkomsten internationaal vergelijkbaar maakt.
De conclusie voor Nederland is somber. Vertrouwen in nieuws, het gebruik van nieuws en de interesse in nieuws staan in Nederland sterk onder druk, en alle trends wijzen naar beneden, zo concludeert het Commissariaat in het rapport. Het vertrouwen in het nieuws bevindt zich nu op het laagste punt sinds de eerste meting in 2018. Het Commissariaat gebruikt daarbij opvallend stevige taal: het vertrouwen in Nederlandse nieuwsmerken leek lange tijd in beton gegoten, maar dat beeld kan na deze editie niet meer overeind blijven.
Nieuwsgebruik daalt
Ook het gebruik van nieuws daalt. Vooral televisienieuws wordt steeds minder bekeken: waar in 2018 nog 73 procent van de Nederlanders het nieuws via tv volgde, is dat in 2025 gedaald naar 58 procent. Onder jongeren tussen 18 en 34 jaar is de afname het sterkst: nog maar een derde van deze groep toont serieuze interesse in nieuws, Tegelijk groeit de afhankelijkheid van grote technologieplatforms. Voor zestig procent van de jongeren zijn big tech-platforms inmiddels de belangrijkste toegang tot online nieuws, waardoor de algoritmes van die platforms steeds meer bepalen wat mensen wel en niet te zien krijgen. Ook kunstmatige intelligentie wint terrein als nieuwsbron: één op de twintig Nederlanders gebruikt inmiddels chatbots zoals ChatGPT om nieuws tot zich te nemen, en onder jongeren tussen 18 en 34 jaar ligt dat percentage op elf procent.
Toch is er ook een lichtpuntje. Uit hetzelfde rapport blijkt namelijk dat regionale en lokale media het, in vergelijking met landelijke media, relatief goed doen op het gebied van vertrouwen. Dat verschil roept een vraag op: wat doen regionale en lokale media anders, en wat betekent dat voor de bereidheid van mensen om mét die media te praten?
Onderzoeker Mark Boukes van de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in vertrouwen in journalistiek, plaatst daarbij wel een belangrijk kanttekening. Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat het percentage Nederlanders dat weinig tot geen vertrouwen heeft in de media tussen 2021 en 2023 is gestegen van negen naar veertien procent. Maar volgens Boukes is allerminst duidelijk wat dat vertrouwen precies bepaalt. Het vertrouwen in journalistiek hangt niet per se samen met de kwaliteit of objectiviteit van die journalistiek: zo is het hoogste mediavertrouwen ter wereld gemeten in China, waar van onafhankelijke journalistiek nauwelijks sprake is, terwijl landen als de Verenigde Staten juist grote vertrouwensproblemen kennen, mede doordat mensen vooral nieuws uit hun eigen bubbel vertrouwen en de rest als nepnieuws wegzetten. Vertrouwen in journalistiek lijkt dus minstens zo veel te maken te hebben met sociale en culturele factoren als met de journalistiek zelf, en dat opent de deur naar de rol van gemeenschap, nabijheid en herkenbaarheid, juist op lokaal niveau.
Wat inwoners zelf zeggen
Cijfers vertellen één kant van het verhaal. Om te begrijpen wat er werkelijk omgaat in mensen, is hiervoor met inwoners gesproken, zowel in Hengelo als in Borne, over hun houding ten opzichte van journalistiek en hun bereidheid om mee te werken aan een interview.
De antwoorden lopen sterk uiteen, maar er tekenen zich drie duidelijke patronen af.
Een deel van de ondervraagden is ronduit kritisch op het nieuws zelf. “Het nieuws boeit me niet, het wordt gepimpt, extremer gemaakt dan dat het is. Misschien wel geframed zelfs”, zo verwoordde een van de respondenten het. Voor andere respondenten is een camera helemaal geen optie: “Op camera wil is sowieso niet. Wie weet wordt het tegen je gebruikt. Dat is geen fijn gevoel.” Hier lopen twee dingen door elkaar: twijfel aan de manier waarop nieuws wordt gemaakt, en angst voor de gevolgen van zichtbaarheid. Allebei zorgen ze voor een drempel, maar het zijn wel twee verschillende drempels, en dat onderscheid blijkt cruciaal.
Een ander deel van de ondervraagden heeft juist een kritisch, maar positieve houding. “Ik ben heel bereid om te praten, ik controleer het nieuws altijd na en loop niet blindelings wat te zeggen, omdat ik het ergens heb gehoord”, aldus een respondent. Transparantie wordt door deze groep expliciet genoemd als voorwaarde: “Transparantie is belangrijk.” Over anonimiteit wordt laconiek gedacht: “Anonimiteit maakt voor mij niet uit, want ik geloof dat de media iemand anoniem maakt met een reden.” De belangrijkste voorwaarde om mee te blijven werken, is niet anonimiteit voor deze respondent maar iets anders: niet in een hoek gezet worden. “Ik zal altijd blijven praten met journalisten, zolang ik geen richting in word geduwd.”
Privacy speelt ook mee
Een derde groep redeneert vanuit privacy. Zij volgen het nieuws via meerdere kanalen, maar alles anoniem. Zij willen niet in de belangstelling staan of bekend worden. “Anoniem zou ik best mee willen doen, maar ik hoef niet groot met mijn naam in de krant of op het internet.” Zij wantrouwen de journalistiek niet per se, maar willen zelf zo onzichtbaar mogelijk blijven.
Op de vraag of mensen bereid zijn met journalisten te praten, bleek het verschil tussen schriftelijk en op camera het scherpst: “Voor een vragenlijst of een item zonder camera wil ik wel met journalisten praten, maar als er een grote camera op mij gericht staat vermijd ik ze meestal.” Een zekere zin van onzekerheid speelt zo nu en dan ook mee.
Vertrouwen in nieuws
Over vertrouwen in nieuws zelf bleek de reputatie van het medium doorslaggevend te zijn. "Van bekende media vertrouw ik het wel, dan check ik ook niet snel de bronnen. Kleinere nieuwsplatformen check ik wel, en voor iets onderzoeken voor bijvoorbeeld school check ik ook altijd de bronnen." Diezelfde respondent voegde eraan toe dat anonimiteit dan "toch wat minder betrouwbaar" aanvoelt, maar dat het type nieuws daarbij een grote rol speelt.
Over anonimiteit zelf bestond eigenlijk breed begrip, zolang er een duidelijke reden voor is. "Als het gaat om iemand die misbruikt is, snap ik dat je anoniem wilt blijven." Maar zonder duidelijke reden voelt het al snel "shady": een compleet interview met iemand die vervaagd is, zonder enige toelichting, zou bij deze respondent eerder wantrouwen oproepen dan wegnemen. En transparantie? Daarover was iedereen die hierover werd bevraagd het roerend eens: "Ja, dat vind ik belangrijk."
Wat opvalt aan al deze reacties samen, is dat bijna niemand de journalistiek als instituut radicaal afwijst. Zelfs de meest kritische respondenten verwerpen niet het idee van journalistiek, maar twijfelen aan specifieke praktijken: framing, sensatiezucht, het gebruik van beeldmateriaal, of het ontbreken van uitleg. De bereidheid om te praten hangt dus minder af van de vraag "vertrouw ik de journalistiek" dan van de vraag "wat gebeurt er met wat ik zeg, en wie ziet dat terug".
Wat journalisten zelf zien
Diezelfde patronen herkennen de drie geïnterviewde journalisten, ieder vanuit hun eigen praktijk. Jan Colijn werkt sinds acht jaar voor RTV Oost, na bijna dertig jaar bij De Telegraaf. Hij schrijft veel over criminaliteit, en juist daar speelt terughoudendheid een grote rol, maar volgens hem heeft dat weinig met wantrouwen in journalistiek te maken. Het gaat eerder om de aard van het onderwerp: mensen die in verband worden gebracht met een misdrijf, of mensen die over zo'n zaak iets weten, zitten zelden te wachten op een journalist die erover schrijft. Bronnen worden daarom regelmatig anoniem opgevoerd, simpelweg omdat zij niet met naam en gezicht in verband willen worden gebracht met criminele zaken.
Ook merkt Colijn een duidelijk verschil tussen schriftelijke gesprekken en gesprekken met een camera. Zodra de camera tevoorschijn komt, gaan volgens hem "deuren dicht die er eerst nog op een kier stonden". Bij grote, gevoelige gebeurtenissen, hij noemt een voorbeeld van demonstraties in de regio, gaat de redactie soms bewust eerst zonder camera op pad, omdat een camera in zulke situaties als een “rode lap op een stier" kan werken.
Over het vertrouwen in zijn eigen medium is Colijn voorzichtig optimistisch. RTV Oost is een publieke regionale omroep die zich, anders dan sommige landelijke media, niet primair richt op clicks of sensatie en relatief neutraal probeert te berichten. Toch erkent hij dat het wantrouwen, vooral sinds de coronaperiode, is toegenomen. Berichten over coronamaatregelen leverden destijds een stortvloed aan boze reacties op sociale media op, iets wat volgens hem inmiddels weer iets is afgenomen, al kan hij dat niet met cijfers onderbouwen.
Wat betreft het verschil tussen stad en dorp is Colijn voorzichtig, maar duidelijk. In een dorp lopen mensen volgens hem minder snel "botweg door" wanneer ze worden aangesproken dan in een stad, al noemt hij dat zelf nadrukkelijk een generalisatie. Belangrijker nog is wat er gebeurt ná het gesprek: in een dorp kent iedereen elkaar, en als iemand iets zegt over een misdrijf of een gevoelige kwestie, dan kan dat al snel met die persoon in verband worden gebracht. Dat maakt mensen in dorpen voorzichtiger met uitspraken over anderen, niet uit wantrouwen richting de journalist, maar uit zorg over wat de buren ervan zullen denken.
Ernst Bergboer van 1Twente richt zich voornamelijk op nieuws uit Enschede en omgeving. Ook hij ziet dat mensen soms anoniem willen blijven, met name als het gaat om ambtenaren of inwoners die informatie willen delen over het gemeentebestuur, maar niet geassocieerd willen worden met een "lek". Zijn uitgangspunt is dat hij anonimiteit in beginsel respecteert, al schetst hij ook een grens: als een bron zelf iets zou bekennen wat een ernstig strafbaar feit betreft, ontstaat er volgens hem een ethisch dilemma waarbij die anonimiteit soms moet wijken voor een groter belang.
Over reacties van het publiek op het gebruik van anonieme bronnen is Bergboer stellig: die reacties krijgt hij vrijwel nooit. Mensen lijken te begrijpen dat sommige informatie alleen via klokkenluiders of anonieme bronnen naar buiten kan komen, en accepteren dat zonder veel discussie.
Bergboer constateert wel een bredere verschuiving. Waar mensen vroeger vaak spontaan en open reageerden wanneer hij ze op straat aansprak, ziet hij nu vaker een eerste reflex van argwaan, ook bij iets onschuldigs als het vragen naar de weg. Hij wijt dat aan een breder maatschappelijk fenomeen: mensen vertrouwen elkaar in het algemeen iets minder dan vroeger, en dat zien journalisten terug in hun eigen contact met het publiek. Tegelijkertijd is hij kritisch op zijn eigen vakgebied: hij vindt dat de journalistiek soms te veel is gericht op sensatie, op "dikke koppen" en op de relletjes die nu eenmaal goed scoren in clicks en kijkcijfers, en dat dát mensen kan afschrikken om betrokken te raken.
Over stad versus dorp is Bergboers observatie genuanceerd. Binnen de stad Enschede ziet hij zelf een groot verschil tussen mensen die hem en zijn medium kennen, en mensen die dat niet doen: bij de eerste groep proeft hij veel vertrouwen, bij de tweede groep merkt hij dat zijn rol als journalist soms eerst moet worden "uitgelegd" voordat het ijs gebroken is. In een dorp, zo zegt hij, gaat dat kennelijk sneller, niet per se omdat dorpsbewoners de journalistiek meer vertrouwen, maar omdat lokale bekendheid daar makkelijker ontstaat.
Anke Jonathans van BorneBoeit, schetst een beeld dat dat patroon nog sterker bevestigt. Voor haar is het vinden van mensen die willen praten, voor tekst althans, eigenlijk zelden een probleem. De reden die zij daarvoor geeft, is simpel: in Borne kennen mensen elkaar, en kennen mensen ook BorneBoeit. Een illustratief voorbeeld dat zij aanhaalt, gaat over boerenprotesten waarbij landelijke media, door boze demonstranten werden weggestuurd. Toen bekend werd dat ook BorneBoeit aanwezig was, ontstond er eerst eenzelfde negatieve reactie, totdat iemand uit de groep zei: "Nee, dit is BorneBoeit, die zijn oké." Vanaf dat moment kon het gesprek alsnog plaatsvinden.
Over anonimiteit is BorneBoeit terughoudend: liever wordt er helemaal niet gepubliceerd dan dat een verhaal met een anonieme bron wordt gebracht, tenzij het werkelijk zou schaden als iemands naam erbij zou staan, zoals bij een aanslag waarbij mogelijke getuigen uit veiligheidsoverwegingen liever niet genoemd willen worden. Voor de rest geldt: als iemand alleen anoniem wil meewerken, wordt vaak gewoon naar een andere bron gezocht.
Wel ziet ook Jonathans dat de toon is veranderd. Ouders die niet willen dat hun kinderen herkenbaar op de foto staan, mensen die sneller boos reageren op berichtgeving, reacties die "harder en zwart-wit" zijn geworden, vooral rond gevoelige thema's als asielzoekers of windmolens. Het zijn volgens haar tekenen van een samenleving die in het algemeen "een korter lontje" heeft gekregen, niet specifiek richting de media.
Het verschil tussen Borne en een grotere stad zoals Hengelo of Enschede acht zij groot. In Borne, zo legt ze uit, gaat nieuws, ook over individuele inwoners, razendsnel rond. Een ongeval op een parkeerplaats is binnen het half uur "bekend bij half Borne", inclusief de naam van de betrokkene. In een stad ligt die kans veel kleiner: de afstand tussen mensen is groter, en de kans dat je de persoon op de foto kent, is navenant kleiner.
Een spanningsveld tussen bescherming en betrouwbaarheid
Een van de centrale thema's die in zowel de straatinterviews als de journalistengesprekken steeds terugkeren, is anonimiteit. Voor burgers voelt het soms als een oplossing: wel meewerken, maar zonder naam. Voor journalisten is het een instrument dat zij met zorg moeten hanteren.
De Nederlandse Vereniging van Journalisten is daar helder over. Het gebruik van anonieme bronnen is zeker niet verboden, maar het uitgangspunt blijft dat bronnen worden vermeld, zoals de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek voorschrijft. Wenst iemand toch anoniem te blijven, dan heeft de journalist de plicht om de identiteit van die bron te beschermen. Tegelijk geldt er een verantwoordingsplicht: maakt een journalist gebruik van een anonieme bron, dan moet hij onderzoek doen naar de geloofwaardigheid van die bron, en is het aan te bevelen om zoveel mogelijk feitenmateriaal te verzamelen dat de verklaring van die bron ondersteunt.
Dat is precies wat Bergboer en Colijn in de praktijk beschrijven: anonimiteit wordt toegekend, maar niet zonder slag of stoot, en niet zonder dat de journalist zelf weet wie er achter de bron schuilgaat. Daarom probeert Jonathans dit in zijn algemeenheid te vermijden.
Voor het publiek brengt dat echter een ander probleem met zich mee. De ombudsman van de publieke omroepen wijst erop dat het gebruik van anonieme bronnen weliswaar journalistiek noodzakelijk kan zijn, maar het publiek tegelijk voor een lastige opgave stelt. Transparantie over de werkwijze en het brongebruik is van groot belang voor het vertrouwen in de journalistiek, en is daarom een vast onderdeel van journalistieke gedragscodes, maar tegelijk kan diezelfde transparantie een obstakel vormen voor een verhaal, bijvoorbeeld wanneer een bron alleen anoniem wil meewerken. Het publiek moet er dan op vertrouwen dat wat de journalist beweert ook daadwerkelijk klopt, omdat een eigen check door het publiek niet mogelijk is, en dat vraagt nadrukkelijk om een goede uitleg waarom een verhaal op die manier tot stand is gekomen.
Dat sluit naadloos aan bij wat de straatinterviews lieten zien: anonimiteit wordt door burgers doorgaans niet gewantrouwd, zolang er een logische reden voor wordt gegeven. Wat wantrouwen oproept, is niet de anonimiteit zelf, maar het ontbreken van uitleg erover.
Tegelijkertijd waarschuwen sommige stemmen binnen de journalistiek zelf voor een te lichtzinnig gebruik van anonieme bronnen, juist omdat het op termijn het vertrouwen in journalistiek kan ondermijnen. Zo stelde De Balie-directeur Yoeri Albrecht in een discussie over politieke berichtgeving dat de journalistiek volgens hem zelf bijdraagt aan het dalende vertrouwen in de rechtsstaat en de politiek, doordat er "maar eindeloos gepubliceerd wordt uit anonieme bronnen", terwijl mensen niet altijd zicht hebben op het belang dat zo'n bron kan hebben. Soms kan de werkelijke identiteit een bron in een heel ander daglicht plaatsen. Zijn devies: gebruik anonieme bronnen alleen wanneer het echt niet anders kan, en wees daar dan ook transparant over.
Voor lokale en regionale media, zoals BorneBoeit, RTV Oost en 1Twente, lijkt dit spanningsveld minder zwaar te wegen dan voor landelijke media. Niet omdat de regels anders zijn, maar omdat de context anders is: in een kleine gemeenschap is de groep mogelijke bronnen vaak kleiner, waardoor anonimiteit minder vaak nodig én minder vaak mogelijk is, zonder dat de identiteit van iemand alsnog te raden valt.
De camera als afzonderlijke drempel
Colijn beschrijft hoe deuren letterlijk dichtgaan zodra een camera in beeld komt, ook bij mensen die eerder wel bereid waren te praten. Bergboer noemt het simpelweg "lastig": mensen die mondeling makkelijk antwoord geven, haken af zodra ze gefilmd of gefotografeerd worden en volgens hem heeft dat weinig met journalistiek te maken, maar veel met het ongemak dat de meeste mensen voelen bij het zien of horen van zichzelf op beeld. Jonathans bevestigt dat beeld voor BorneBoeit: voor de camera is de drempel hoger dan voor tekst, en dat heeft volgens haar minder met anonimiteit te maken dan met onzekerheid over het eigen uiterlijk.
De straatinterviews onderschrijven dat patroon nadrukkelijk. Zelfs de meest kritische respondent, degene die het nieuws wantrouwt en denkt dat het wordt "geframed”, had in de basis geen bezwaar tegen een gesprek. Het probleem zat in zichtbaarheid: "Op camera wil ik sowieso niet." Een andere respondent verwoordde het nog directer: voor een vragenlijst zonder camera is meewerken geen probleem, maar zodra er "een grote camera" op iemand gericht staat, wordt diezelfde persoon vermeden.
Wat hier zichtbaar wordt, is een verschuiving van het probleem. Het gaat niet (alleen) om de vraag of je de journalist vertrouwt, maar om de vraag wat er met je beeld gebeurt nadat het is opgenomen. In een tijd waarin filmpjes, foto's en quotes binnen enkele seconden gedeeld, geknipt en hergebruikt kunnen worden op sociale media, is die zorg niet onredelijk. Een uitspraak in een artikel kan worden teruggelezen; een gezicht in een video kan worden herkend, gedeeld, becommentarieerd, soms jarenlang. Voor veel mensen is dat verschil doorslaggevend, en het verklaart waarom dezelfde persoon die bereid is om "iets te zeggen", dat soms categorisch weigert zodra er een lens op hem gericht wordt.
Stad versus dorp: nabijheid als wapen én als risico
Aan de ene kant beschrijven alle drie de journalisten een vorm van wat sociologen ‘sociale controle’ noemen. In een dorp als Borne kent, in de woorden van Jonathans, "iedereen elkaar een beetje", en gaat nieuws over individuele inwoners razendsnel rond. Colijn noemt hetzelfde mechanisme vanuit een ander perspectief: in een dorp wil je niet dat jouw naam in verband wordt gebracht met een misdrijf of een verdachte, "omdat het toch gevoeliger ligt en iedereen kent iedereen".
Dit sluit aan bij breder sociologisch onderzoek naar het verschil tussen stedelijk en landelijk samenleven. Stedelijkheid bestaat bij de gratie van variëteit, pluriformiteit en diversiteit, en daar horen vaak anonimiteit en een lage mate van sociale controle en cohesie bij. Dorpsleven kenmerkt zich juist door gemeenschappelijkheid, herkenbaarheid en uniformiteit, waarbij sociale controle en saamhorigheid een grotere rol spelen. Onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek bevestigt dit beeld op landelijke schaal: bewoners van het platteland zijn vaker tevreden over hun sociale buurt dan stedelingen, terwijl het voor gemeenten in sterk verstedelijkte gebieden juist een uitdaging kan zijn om de anonimiteit en de drukte van de stad te doorbreken.
Voor de bereidheid om met journalisten te praten heeft dat een direct gevolg. In een dorp is een uitspraak nooit "zomaar een mening van een willekeurige voorbijganger", het is een uitspraak van iemand die de buren, de slager, de huisarts en misschien wel de wethouder kennen. De sociale prijs van een ongelukkige uitspraak is in een dorp dus potentieel hoger dan in een stad, waar anonimiteit juist een ingebouwd kenmerk van het dagelijks leven is.
Maar, en dit is waar het verhaal kantelt, diezelfde nabijheid werkt ook de andere kant op. Waar onbekendheid in een stad zorgt voor afstand tussen journalist en burger, zorgt bekendheid in een dorp juist voor een kortere afstand. Jonathans noemt het voorbeeld van de boerenprotesten waarbij landelijke media werden weggestuurd, maar BorneBoeit alsnog haar verhaal kon doen, puur omdat de mensen ter plekke wisten wie zij was en voor welk medium zij werkte. Bergboer beschrijft hetzelfde mechanisme voor 1Twente: bij mensen die hem en zijn medium kennen, proeft hij veel vertrouwen; bij mensen die dat niet doen, moet hij eerst "uitleggen" wie hij is en wat hij doet, voordat een gesprek op gang komt.
Met andere woorden: in een stad is de afstand tussen journalist en burger vaak structureel groter, simpelweg omdat de kans dat je elkaar kent kleiner is. In een dorp is die afstand kleiner, wat in het ene geval een drempel kan opwerpen (men kent elkaar, dus je let op wat je zegt), maar in het andere geval juist een drempel kan wegnemen (men kent de journalist, dus het vertrouwen is er al).
Dit beeld wordt ook ondersteund door onderzoek naar lokale journalistiek specifiek. Een scriptie van de Universiteit Leiden naar authenticiteit in de lokale journalistiek laat zien dat lokale media een fundamenteel andere functie vervullen dan landelijke media. Waar landelijke media zich voornamelijk bezighouden met de controlerende functie, bronnen checken, hoor en wederhoor toepassen, ligt bij lokale journalistiek de nadruk veel meer op de sociaal bindende functie: het lokale journalistieke werk is er vooral op gericht om de sociale cohesie binnen een gemeenschap te versterken. Diezelfde functie zien we terug in de manier waarop Jonathans over BorneBoeit spreekt: niet als "de pers" die van buitenaf komt observeren, maar als onderdeel van de gemeenschap die zij verslaat.
Een andere studie, naar de lokale krant De Brug in Amsterdam-Oost, bevestigt dit patroon ook in een grootstedelijke context. Uit onderzoek blijkt dat lokale media, naast het feit dat ze de belangrijkste bron zijn voor lokaal nieuws, bijdragen aan sociale cohesie in de samenleving en uit een analyse van meer dan honderd artikelen bleek dat sociale cohesie in deze krant het vaakst tot uiting komt in verwijzingen naar de relatie tussen burgers onderling. Dat is opvallend, want het laat zien dat het mechanisme dat in Borne speelt, herkenning, nabijheid, "wij kennen elkaar", niet uniek is voor dorpen, maar overal kan ontstaan waar een medium zich bewust richt op een afgebakende, herkenbare gemeenschap. Het verschil tussen stad en dorp is dus misschien minder een verschil tussen geografische plekken, en meer een verschil in schaal van de gemeenschap waarmee een medium zich verbindt.
Kunstmatige intelligentie
Een onderwerp dat tijdens de gesprekken steeds vaker naar voren kwam, zonder dat het van tevoren expliciet onderdeel was van de onderzoeksvraag, is kunstmatige intelligentie.
Bij RTV Oost wordt AI mondjesmaat gebruikt: in het weekend, bij krappe bezetting, wordt een door AI nagebootste stem van de vaste presentator ingezet om korte nieuwsitems voor te lezen. Volgens Colijn is dat puur praktisch en valt het de oplettende kijker waarschijnlijk niet eens op.
Bergboer van 1Twente geeft aan dat AI bij tekst eigenlijk niet wordt gebruikt, maar bij beeld soms wel, bijvoorbeeld voor een bewerkte foto bij een podcast, of voor geanimeerde beelden in een documentaire over de Tweede Wereldoorlog. In die gevallen is het volgens hem "overduidelijk" dat het om AI-beeld gaat, ook al wordt dat niet altijd expliciet vermeld.
Bij BorneBoeit ligt de gevoeligheid het hoogst. Foto's worden volgens Jonathans bewust "puur en onbewerkt" gehouden; AI wordt hooguit gebruikt om een achtergrond aan te vullen of een te donkere foto op te lichten en als er werkelijk iets wezenlijks verandert, wordt dat erbij vermeld. Bij tekst geldt een vaste regel: AI mag worden gebruikt om spelling te checken of samen te vatten, maar het eigen verhaal moet altijd eerst zelf geschreven worden. Toch ziet ook Jonathans dat het wantrouwen rond AI inmiddels zo groot is, dat zelfs een authentieke foto van een wolf door lezers werd weggezet als "vast AI", een reactie die volgens haar het vertrouwen in journalistiek wel degelijk verder kan ondermijnen.
Dit sluit aan bij het bredere beeld uit het Digital News Report: AI wordt steeds vaker gebruikt als nieuwsbron, maar tegelijk groeit het wantrouwen richting AI-gegenereerde content. Voor lokale media ontstaat hierdoor een nieuwe paradox: juist de media die het meest hun best doen om transparant en authentiek te blijven, lopen het risico daar niet in geloofd te worden, simpelweg omdat het wantrouwen richting "nepbeelden" inmiddels breder is dan het wantrouwen richting het medium zelf.
Conclusie
Vertrouwen speelt zeker een rol. De cijfers uit het Digital News Report 2025 laten zien dat dat vertrouwen historisch laag is, en dat een groeiende groep Nederlanders, vooral jongeren, het nieuws actief begint te mijden. Maar uit de straatinterviews blijkt dat zelfs mensen met weinig vertrouwen in "het nieuws" in algemene zin, lang niet altijd weigeren om met een individuele journalist te praten. Wat vaker de doorslag geeft, is de vraag wat er met hun woorden of beeld gebeurt: worden ze uit hun context getrokken, blijven ze jarenlang online vindbaar, of worden ze juist zorgvuldig en transparant gepresenteerd?
Anonimiteit blijkt daarbij geen taboe, zolang er een logische reden voor wordt gegeven. Iets wat zowel uit de straatinterviews als uit de journalistieke gedragscodes naar voren komt. Camera's vormen een drempel die los lijkt te staan van vertrouwen in journalistiek, en eerder te maken heeft met onzekerheid over het eigen uiterlijk en de blijvende vindbaarheid van beeldmateriaal.
En het verschil tussen stad en dorp? Dat blijkt minder een kwestie van meer of minder vertrouwen, en meer een kwestie van afstand. In een dorp als Borne is de afstand tussen journalist en inwoner klein: men kent elkaar, en dat zorgt zowel voor een streng sociaal vangnet, iedereen weet alles van iedereen, als voor een vorm van vertrouwen die in een stad pas verdiend moet worden. Voor een lokaal medium als BorneBoeit is die kleine afstand een kans: mensen die de naam BorneBoeit kennen, blijken makkelijker bereid om mee te werken dan mensen die voor het eerst met een onbekend medium te maken krijgen.
Voor BorneBoeit en voor lokale journalistiek in het algemeen, ligt hier misschien wel de belangrijkste les. Niet de vraag "vertrouwen mensen ons" is doorslaggevend, maar de vraag "kennen mensen ons, en weten ze wat we met hun verhaal gaan doen". Wie daarin transparant is, over de keuze voor anonimiteit, over het gebruik van beeld, over journalistieke keuzes in het algemeen, bouwt aan precies het soort nabijheid waar lokale journalistiek haar bestaansrecht aan ontleent. En in een tijd waarin het vertrouwen in nieuws op het laagste punt sinds 2018 staat, is dat misschien wel de meest waardevolle troef die BorneBoeit heeft, en een landelijk medium niet.
Door: Caitlin Timmerije
© BorneBoeit. Op onze artikelen en beeldmateriaal rust copyright.
Voor meer informatie raadpleeg de spelregels.