
In ruim twee eeuwen groeide het organistenambt in Borne uit tot een familietraditie waarin de Meijlings niet alleen de eredienst begeleidden, maar ook zichtbaar maakten hoe muziek, ambacht, kerkelijk gezag en dorpsgeschiedenis met elkaar verweven raakten.
Sommige tradities houden één generatie stand, andere twee of drie. In Borne bleef één familie meer dan twee eeuwen lang verbonden aan de kerkmuziek. Zeven generaties Meijling zaten achter het orgel van de oude Nederlands Hervormde Kerk, de Stephanuskerk. In oude bronnen komt de familienaam ook voor als Meilink, Meyling en Meijlingh. Van Gerard Meijling in 1688 tot Johan Meijling, die in 1919 zijn laatste akkoorden speelde, drukten zij als organisten hun stempel op het Bornse kerkelijke leven.
Die lange reeks maakte de Meijlings tot meer dan alleen vaste bespelers van het orgel. Onder hun handen klonk tijdens dediensten het psalmgezang en werden momenten van vreugde en verdriet in de Bornse gemeenschap begeleid. Tegelijk stond de familie ook buiten de kerk midden in het dorpsleven: als bierbrouwers, herbergiers, ondernemers en liefhebbers van de Twentse cultuur. Een vroege Meyling, Otto, behoorde zelfs tot de bestuurlijke bovenlaag van het dorp. Hij was richter van Borne in de periode 1534-1576, een functie die rechterlijke, bestuurlijke en vertegenwoordigende taken combineerde.
Erfgoed
Het organistenambt lijkt binnen de familie Meijling bijna familie-erfgoed te zijn geweest. Van een formeel erfelijk recht was geen sprake, maar de bronnen laten zien dat de opvolging vaak binnen de familie bleef. Dat zeven generaties Meijling het ambtbekleedden, zal niet alleen aan muzikale aanleg hebben gelegen. In een tijd waarin ambten geregeld aan vertrouwde families werden toevertrouwd, telden ook betrouwbaarheid, maatschappelijke positie en praktische opleiding zwaar mee. Een zoon groeide op met het orgel binnen handbereik en kon het vak al jong van zijn vader leren. Uit archiefstukken ontstaat zo het beeld van een familie die, mede dankzij het vertrouwen van de kerkenraad, een vrijwel vanzelfsprekende voorkeurspositie genoot.
Aflossing
Bijna als in een estafette ging het organistenambt van generatie op generatie over. Gerhardt Meijling opende in 1688 de rij. Zijn zoon Herman volgde hem in 1733 op en diens zoon Gerhardus in 1773. Daarna kwamen opnieuw een Herman in 1803 en weer een Gerhardus in 1845. In 1881 nam andermaal een Herman plaats achter het orgel, waarna diens neef Johannes in 1890 als laatste Meijling de familietraditie voortzette tot 1919. Zeven organisten, zes opeenvolgende generaties van vader op zoon en ten slotte een neef: een uitzonderlijke reeks die in Borne nauwelijks haar gelijke kent.
Akten
Opvallend is dat Gerhardt, Herman en Gerhardus Meijling in de oudste akten uitdrukkelijk “voor de tijd zijns levens” als organist werden aangesteld. In latere benoemingen ontbreekt deze formulering. Hoewel in de akten doorgaans geen salaris werd genoemd, blijkt uit de benoeming van Herman Meijling in 1845 dat het organistenambt verbonden was aan de “profijten en emolumenten van ouds daartoe staande”.
In plaats van een vast traktement genoot de organist kennelijk de traditionele inkomsten uit het ambt, zoals vergoedingen voor het bespelen van het orgel bij huwelijken, begrafenissen of bijzondere diensten. Daartegenover stond de verplichting jaarlijks 25 Carolusgulden aan de kerk af te dragen, te voldoen aan kerkmeester Dorgelo.
Dit wijst erop dat het organistenambt deel uitmaakte van een ouder stelsel van rechten en plichten, waarbij de organist niet alleen inkomsten ontving, maar als tegenprestatie ook een vaste bijdrage aan de kerk verschuldigd was. Mogelijk hoorde daar ook de bewoning van het ‘orgelistenhuis’ bij, een pand van de kerk dat was gelegen nabij het huidige Rheineplein.
Weleveld
De benoeming van de opeenvolgende Meijlings als organist vereiste niet alleen de instemming van de kerkenraad, maar ook die van een lid van de familie Van Hambroick van Weleveld. Dat was geen toeval, want aan de havezate Weleveld was het collatierecht verbonden: het recht om een predikant, schoolmeester, koster én organist voor de Hervormde Gemeente van Borne voor te dragen of te benoemen. De heer van Weleveld oefende daarmee aanzienlijke invloed uit op het kerkelijk leven. Dat in de eerste akte, die van Gerhardt uit 1688, ook Margarita van Coeverden medeondertekende, had vermoedelijk te maken met haar eerdere huwelijk met Christoffel Schele tot Weleveld en de rechten die zij daardoor mocht blijven uitoefenen.
Orgel
Het orgel in de oude Stephanuskerk was meer dan een muziekinstrument. Het vormde het klankhart van de kerk: een samenspel van hout, pijpen, wind, ambacht en eredienst. Juist daardoor kreeg het instrument een bijzondere plaats in het kerkelijk en culturele leven van Borne. Opmerkelijk is dat van de zeven Meijling-organisten slechts twee op het huidige Holtgräve-orgel hebben gespeeld. Hun voorgangers bespeelden een ouder instrument, waarvan herkomst en bouw helaas onbekend zijn. Wel is bekend dat orgelbouwer Holtgräve in 1837 nog voor f 12,- aan herstelwerkzaamheden aan dit oudere orgel uitvoerde, voordat hij enkele jaren later een geheel nieuw orgel bouwde.
Holtgräve
Dat nieuwe orgel bouwde Holtgräve in 1841 in opdracht van de kerkenraad. Hij bracht daarvoor f 928,- in rekening, inclusief f 78,- voor schilderwerk. Johann Heinrich Holtgräve was een van de belangrijkste orgelbouwers in Oost-Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij werkte vanuit Deventer en bouwde vooral orgels voor kerken in Overijssel, Gelderland en aangrenzende regio’s. Holtgräve werd in 1802 geboren in het Duitse Westfalen. Daar leerde hij het orgelbouwvak; later vestigde hij zich in Deventer, waar hij een eigen werkplaats begon. Van daaruit bouwde en onderhield hij tientallen orgels: degelijk ambachtelijk vakwerk, bekend om de heldere maar warme klank. Zijn orgels waren vaak niet bijzonder groot, maar juist zeer geschikt voor middelgrote protestantse kerken.
‘Trappen’
Het organistenvak veranderde in de loop van de eeuwen eveneens ingrijpend. Vroeger hield een orgeltrapper, vaak een familielid of een jongen uit het dorp, de blaasbalgen in beweging om de winddruk op peil te houden. Hij moest precies op tijd en in een gelijkmatig tempo trappen. Werd hij moe of verslapte zijn aandacht, dan kon de winddruk dalen en hoorde de kerkganger het orgel letterlijk “inzakken”. Tegenwoordig zorgt een elektrische windmotor voor de luchttoevoer. Die blaast de lucht naar de windlade, de ruimte van waaruit de afzonderlijke pijpen worden aangesproken. Drukt de organist op een toets, dan opent zich een klepje en stroomt de lucht naar de juiste pijp. Daarmee werd het trappen overbodig.
Stemmen
In het archief van de NH-kerk bevindt zich een uitgavenoverzicht uit 1854 waaruit blijkt dat Gerhardt een jaartraktement ontving van f 56,-, waarvoor hij ‘elke zondag zijn officie moest vervullen’. Veelzeggend is ook de aantekening dat voor het stemmen van het instrument f 4,- werd uitbetaald. Kennelijk werd de organist geacht het orgel zelf te kunnen stemmen, en dat veronderstelt een goed ontwikkeld muzikaal gehoor. Een orgel met zijn vele pijpen en verschillende registers op toon houden was geen eenvoudige bezigheid en vereiste zowel ervaring als kennis van het instrument.
Reukoffer
Toen Gerhardus Meijling op 27 januari 1881 overleed, werd hij in het organistenambt opgevolgd door zijn zoon Herman, bierbrouwer en logementhouder van De Keizerskroon. Hij leerde het vak van de Deldense organist Cramer. Herman vervulde de functie tot zijn benoeming als kerkvoogd in 1890.
Zijn zoon Albert, de latere eigenaar en directeur van de Hengelose Bierbrouwerij en een man met grote fascinatie voor Twente als ‘het land van aleer’, vertelt in het tijdschrift ’t Inschrien van de Oudheidkamer Twente een aardige anekdote over zijn vader als organist. Als de verkondiging van het woord hem te lang duurde, wilde Herman nog wel eens een sigaar opsteken. Op een keer trok hij waarschijnlijk te enthousiast aan zijn bolknak:
“Vader rookte graag een sigaar. Hij meende dit, verscholen achter het groene saaien gordijntje en buiten het strenge oog van dominee Van der Velde, ook op het orgel te kunnen doen. De preek was daarvoor het juiste moment. Hij vergat echter dat de rook speels boven het gordijn uitkringelde. Dat bezorgde hem na de dienst de volgende opmerking van de predikant: ‘Meijling, je hebt weer mooi gespeeld, maar dat reukoffer, dat moet je laten”.
Album
Na Herman Meijling nam zijn neef Johannes Meijling de functie waar tot 1 juli 1919. Onder zijn handen verstilden de laatste akkoorden op het orgel in de oude kerk. Daarmee eindigde niet alleen een organistenloopbaan, maar ook een uitzonderlijke familietraditie die gedurende meer dan twee eeuwen het muzikale hart van hervormd Borne had gevormd. Als dank daarvoor boodhet kerkbestuur hem een album aan, waarin kunstschilder Johan Tibbe in fraai gekalligrafeerde letters het orgelistische verleden van de oude Stephanus had geboekstaafd.
De Meijlings brouwden bier, dreven een herberg, maakten deel uit van het dorpsleven en bespeelden ruim twee eeuwen lang het orgel van het Bornse NH bedehuis. Zij stemden het instrument, begeleidden de gemeentezang en gaven het organistenambt van vader op zoon — en uiteindelijk op een neef — door. Zo kwamen ambacht, muzikaliteit en familietraditie in Borne zeven generaties lang samen. (HN)
Bij de foto's van boven naar beneden:
Bronnen: Archief NH gemeente Borne 1639-1940; Wikipedia; ’t Inschrien, 1963; mariabroederschap.nl; J.R. Luth, Het orgelgebruik in de 17e eeuw; J. Braakman, ‘Ik ga nu anders de trap op’. Foto’s: Beeldbank archief gemeente Borne; Rijksdienst voor het cultureel erfgoed; Archief NH gemeente.
© BorneBoeit. Op onze artikelen en beeldmateriaal rust copyright.
Voor meer informatie raadpleeg de spelregels.