
In Twente was cultuur in de negentiende eeuw aanvankelijk vooral bereikbaar voor de elite en de gegoede burgerij. Arbeiders maakten lange werkdagen, verdienden weinig en hadden nauwelijks tijd of geld om zich met cultuur bezig te houden. Ook onderwijs was nog niet voor iedereen vanzelfsprekend, waardoor een groot deel van de bevolking niet of nauwelijks kon lezen en schrijven. Cultuur bleef daardoor lange tijd een voorrecht van de hogere standen.
Dat gold ook voor boerengezinnen, die vrij geïsoleerd leefden op erven en in kleine buurtschappen. Toch kenden zij een rijke volkscultuur met gebruiken die sterk verbonden waren met het boerenleven en geconcentreerd waren rond de hoogfeesten van het kerkelijk jaar — Kerstmis, Pasen en Pinksteren — en rond de grote gebeurtenissen in het mensenleven: geboorte, huwelijk en dood.
Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde dat beeld. De industrialisatie zorgde voor economische groei en de arbeidsomstandigheden verbeterden langzaam, waardoor arbeiders meer vrije tijd kregen. Tegelijk brachten kranten, boeken en later ook film en radiocultuur binnen handbereik van gewone mensen. Zo kwam de culturele emancipatie van arbeiders en agrarische bevolkingsgroepen in een stroomversnelling en verloor cultuur geleidelijk haar exclusieve karakter.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw groeide muziek in Borne uit tot een zichtbaar bindmiddel binnen het sociale, kerkelijke en culturele verenigingsleven. Bij feesten, herdenkingen, kerkelijke bijeenkomsten en liefdadigheidsavonden gaf zij ritme aan het dagelijks dorpsleven.
Die muzikale ontmoetingen vonden plaats in zalen als Hotel De Keizerskroon, het St.-Jozefgebouw, het gebouw voor Christelijke Belangen, cafés en bij bijzondere gelegenheden in de open lucht. De uitvoeringen trokken vaak veel publiek en onderstreepten hoe sterk muziek in het openbare leven van het dorp verankerd was.
Verenigingen als motor van culturele samenhang
Die culturele versnelling kreeg vooral vorm in muziekgezelschappen, harmonieën en fanfares. Zij maakten muziek bereikbaar voor een breed publiek en versterkten tegelijk de sociale samenhang in het dorp. Vanuit die bloeiende muziekcultuur kregen ook andere uitingsvormen, zoals toneel, zangverenigingen en folklore, meer ruimte. In de jaren vóór de komst van televisie en moderne media waren concerten, serenades en optochten dan ook veel meer dan vermaak: het waren vaste momenten van ontmoeting.
Na de oorlog kregen verenigingen bovendien een nieuwe verbindende betekenis tijdens herdenkingen, bevrijdingsfeesten en nationale feestdagen. Tegelijk veranderde de samenleving ingrijpend. Kerken liepen leeg, de textielfabrieken verdwenen en vaste verenigingsavonden kregen concurrentie van televisie, sportclubs en later internet. Waar koren vroeger wachtlijsten hadden, kampen veel verenigingen nu met een tekort aan jonge leden. Sommige verdwenen geruisloos, andere fuseerden om te kunnen voortbestaan. Toch blijven zij tot op de dag van vandaag zichtbaar aanwezig in het openbare leven van Borne.
Historisch gezien zijn veel verenigingen uit die tijd moeilijk terug te vinden, omdat er weinig administratie bewaard is gebleven. Bovendien waren sommige gezelschappen geen officiële vereniging en veranderde de naam soms in de loop der jaren.
Blaasmuziek
De Bornse muziekverenigingen vertellen een verhaal van gemeenschapszin, continuïteit en culturele ambitie. Van de pionierende ‘Leo Harmonie’ rond 1894 en de ‘St. Stephanus Harmonie’ tot de levendige orkesten van vandaag — het ‘Stedelijk Orkest’, ‘St. Gregorius Fanfare’ in Hertme, de honderdjarige ‘Bornse Harmonie’, de ‘Euregio Brassband’ en ‘Bigband Eighty-Nine’. Over die rijke traditie van de blaasmuziek in Borne vertelt het eerder gepubliceerde artikel ‘De harmonie gaat nooit verloren’.
Zang als vorm van ontmoeting en identiteit
In de loop van de twintigste eeuw groeide ook in Borne het samen zingen uit tot een wezenlijk onderdeel van het verenigingsleven. Kerkelijke koren, mannenkoren en later gemengde koren gaven niet alleen kleur aan het muzikale leven, maar boden ook een vaste plek voor ontmoeting. Kerk, verzuiling, industrialisatie en, veel later, veranderende vrijetijdsbesteding beïnvloedden de manier waarop mensen samen zongen. Wat deze verenigingen met elkaar verbond, was hun sociale betekenis: in een tijd waarin contacten zich vooral afspeelden binnen kerk, werk en dorp, boden koren structuur, vriendschap en gemeenschapsgevoel.
Ook toen aan het einde van de twintigste eeuw de ledenaantallen terugliepen en de samenleving veranderde, bleef de behoefte aan samen zingen bestaan, zij het in andere vormen. Onder invloed van popmuziek, folk en later ook gospel, musical en rock ontstond een generatie die anders wilde zingen: minder plechtig, ritmischer en met eigentijdse teksten. Koren verloren daarmee hun statische karakter en sloten beter aan bij nieuwe muzikale voorkeuren. Voorbeelden daarvan zijn popkoor ‘Inpajoko’ (1966), ‘Ad Fundum’ in Bornerbroek (1969) en het ‘Shantykoor Bornse Maten’ (2001).
‘Soli Deo Gloria’
Een belangrijke plaats in de zanggeschiedenis van Borne werd ingenomen door de Christelijke Gemengde Zangvereniging ‘Soli Deo Gloria’. Het koor werd opgericht op 1 juli 1898 en behoorde daarmee tot de oudste zangverenigingen van de gemeente. De naam Soli Deo Gloria — Latijn voor ‘Alleen God de eer’ — weerspiegelde duidelijk de christelijke grondslag van het koor en paste binnen de verzuilde samenleving van die tijd. Het repertoire bestond voornamelijk uit geestelijke liederen en koorwerken, uitgevoerd tijdens kerkdiensten, zangavonden en bijzondere gelegenheden. Door de jaren heen was er ook ruimte voor andere muzikale smaken.
Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan volgde in 1973 een grootschalige uitvoering van de Krönungsmesse van Mozart, met solisten en orkest. Voor zover kon worden nagegaan, was dit een van de laatste optredens van het koor. Een exacte datum van opheffing is niet gevonden.
‘St. Caecilia’
De katholieke tegenhanger van ‘Soli Deo Gloria’ was de in mei 1934 opgerichte gemengde zangvereniging ‘St. Caecilia’. Het koor stond onder leiding van L. de By, maar raakte een tijdlang op de achtergrond door onenigheid over de samenstelling: wel of niet gemengd. Toen mannen en vrouwen in 1954, na een stevige interne discussie, opnieuw samen mochten zingen en ook pastoor Frank zijn zegen gaf, kreeg St. Caecilia nieuw elan. Vanaf de jaren zestig verdwijnen de vermeldingen van het koor uit de kranten. Dat wijst erop dat de vereniging toen aan betekenis verloor of mogelijk werd opgeheven, al is een exacte einddatum niet vastgesteld.
‘Borns Kleinkoor’
Hoewel de Nieuwe Hengelosche Courant in 1893 al melding maakte van een ‘Borne’s mannenkoor’, heeft het huidige ‘Borns Kleinkoor’ de langste goed gedocumenteerde geschiedenis van de Bornse zangverenigingen. Het is een traditioneel vierstemmig mannenkoor dat in 1941 op initiatief van Gerard Kuipers werd opgericht als dubbel mannenkwartet. In 1950 kreeg het koor officieel de naam ‘Borns Katholiek Kleinkoor’. Eind jaren tachtig liet het zijn strikt katholieke signatuur los, werd het lidmaatschap opengesteld voor alle gezindten en heette het voortaan ‘Borns Kleinkoor’. Sindsdien bleef het koor actief als mannenkoor met een breed repertoire. Daarmee liet het zien hoe een vereniging zich kon ontwikkelen van sterk kerkelijk en verzuild naar breder cultureel en maatschappelijk verbonden. Al decennialang vormt het ‘Borns Kleinkoor’ een vertrouwd onderdeel van het culturele leven in Borne.
‘Stem des Volks’
In Borne organiseerden mensen vroeger hun sociale leven grotendeels binnen hun eigen levensbeschouwelijke of politieke kring: school, krant, sportclub, vakbond, omroep, muziekvereniging en zangkoor. Aanvankelijk kende men hier vooral kerkelijke verenigingen. Mede door de ontwikkeling van de textielindustrie en de opkomst van de arbeidersbeweging ontstond in 1935, naast de overwegend confessionele koren, de arbeiderszangvereniging ‘Stem des Volks’. Het repertoire bestond aanvankelijk uit strijdliederen en het zingen werd gezien als een middel tot culturele verheffing van arbeiders. Daarmee klonk een opvallend andere stem in het dorpsleven. Begin jaren zeventig lijkt de vereniging uit beeld te verdwijnen; aanwijzingen voor een later voortbestaan zijn vooralsnog niet gevonden.
‘De Harpe Davids’
Als onderdeel van het protestants-christelijke verenigingsleven werd op 17 augustus 1923 de mandolineclub ‘De Harpe Davids’ opgericht. De eerste uitvoering vond plaats op 23 mei 1924. Waarom de naam later werd gewijzigd in ‘Christelijke Symphonie Orkestvereniging Harpe Davids’ is niet met zekerheid vast te stellen, maar de verandering past in een bredere ontwikkeling van die tijd. Mandolineclubs waren rond 1900–1925 populair binnen christelijke en katholieke verenigingen, maar vanaf de jaren twintig en dertig veranderde de muzikale smaak. Strijkers, blazers en grotere orkestvormen kregen meer prestige. Een ‘symfonieorkest’ suggereerde dan ook een bredere instrumentbezetting en een ambitieuzer repertoire dan alleen mandolinemuziek. Karel van Gelder kreeg in 1928 de muzikale leiding. Na de oorlog verdween de vereniging uit beeld.
Familie van Gelder
De familie Van Gelder speelde een opvallende rol in het muziekleven van Borne in de eerste helft van de 20e eeuw, niet alleen uitvoerend, maar ook als drijvende kracht in het culturele leven van het dorp. De bekendste was Karel van Gelder, een zeer muzikaal man die jarenlang dirigent was van de Bornse Harmonie, het orkest dat hij in de beginperiode stevig op de kaart zette. Ook was hij dirigent van het Bornse ‘Harpe Davids’ en van de Christelijke Harmonie in Hengelo. Daarnaast had hij een eigen dansorkest.
Strijkje en jazzband
Aron van Gelder werd omschreven als ‘musicus en koopman’. Hij was in het begin van de 20e eeuw de grondlegger van ’t Bornse Strijkje: geen vereniging, maar een klein strijkensemble, bestaande uit viool, cello, bas, dwarsfluit en piano, actief bij bruiloften, partijen en sociale bijeenkomsten. Zijn gezin vormde in de jaren twintig en dertig zelfs een jazzorkest: de Van Gelder’s Jazzband, ‘The Gaiety Hoppers’. Daarin speelden onder anderen zijn zonen Alfred, Frits en Iwan van Gelder mee. Van hen overleefde alleen Iwan de oorlog.
Overigens werd de benaming ‘jazzband’ in de eerste helft van de 20e eeuw veel ruimer gebruikt dan tegenwoordig. Wat wij nu onder jazz verstaan — met drumstel, blazers, improvisatie en swing — was toen nog volop in ontwikkeling. In Nederland en in veel andere delen van Europa betekende ‘jazz’ aanvankelijk vooral moderne, Amerikaanse dansmuziek. Daardoor konden ook kleine ensembles met bijvoorbeeld piano, viool en cello als ‘jazzband’ worden aangekondigd, zelfs als zij naar huidige maatstaven eerder salonmuziek, lichte dansmuziek of amusementsmuziek speelden.
‘Duo Kooiker-Simonetti’
Het duo Kooiker-Simonetti, bestaande uit Gerhardus Johannes Kooiker (1896) en Herman Johan Simonetti (1913) uit Borne, was in de regio veelgevraagd. Zij traden letterlijk dicht bij de mensen op: op bruiloften, in cafés, op buurtfeesten en tijdens kermissen. Daarbij oogstten zij veel succes met populair Nederlands repertoire, hoofdzakelijk amusements- en cabaretliedjes uit het interbellum. Zo brachten zij onder meer de bekende schlager van Kees Pruis, ‘Heb meelij, Jet’. Ook werk van Lou Bandy en Willy Derby maakte deel uit van hun repertoire. Bij gebeurtenissen als een opening, jubileum of feest schreef het duo vaak een speciaal gelegenheidslied.
Samenvatting
Op winteravonden klonk vroeger in heel Borne muziek. Achter kerkdeuren oefenden koren, in cafézalen repeteerden zangverenigingen, harmonieën en fanfares voor concerten en concoursen. Velen hoorden ergens bij: het kerkkoor, het mannenkoor, de muziekvereniging of een ander gezelschap. Muziek was meer dan ontspanning; zij gaf ritme en samenhang aan het dorp. Die wereld veranderde ingrijpend. Spanjaard verdween uit Borne, de kerken trokken minder gelovigen en de vaste verenigingsavonden kregen concurrentie van televisie, sportclubs en later internet. Waar koren en orkesten vroeger soms wachtlijsten kenden, kampen veel verenigingen nu met een tekort aan jonge leden. Sommige verdwenen geruisloos, andere fuseerden om te overleven. Het verhaal van het muziekleven in Borne is daarmee ook het verhaal van een veranderende samenleving, waarin gemeenschapszin minder vanzelfsprekend werd. Juist daarom laat deze geschiedenis zien hoeveel betekenis muziek had — en nog altijd heeft — als drager van ontmoeting en verbondenheid. (HN)
Bij de foto’s van boven naar beneden:
- Borns Mannenkoor, gekiekt eind 19e eeuw.
- Bornse Harmonie o.l.v. Karel van Gelder
- Christelijke gemengde zangvereniging ‘Soli Deo Gloria’
- Katholieke gemengde zangvereniging ‘St. Caecilia’
- Chr. Symphonie Orkestvereniging ‘De Harpe Davids’, dirigent Karel van Gelder.
- ‘Borne’s Strijkje’, foto genomen in de serre van ‘De Keizerskroon’. Meisje met lei is Roosje van Gelder, dochter van bassist David van Gelder.
- Jazzband familie van Gelder; ‘The Gaiety Hoppers’.
- Duo Kooiker-Simonetti, Louis Simonetti en Gerard Kooiker. Voor de pianobegeleiding zorgde mevrouw Van Gelder.
Bronnen: Gemeentearchief Borne; Delpher; Bornse Courant; ‘Kent u ze nog, de Bornsen’, G.P. ter Braak, Zaltbommel 1981; J.B.F. Leuverink en W.H.G. Brok, ‘’ Borne en de Bornsen in grootmoeders tijd’, Zaltbommel 1986; ‘Ontduiken en Onderduiken’, A. Evertzen en S. Groenen, Borne 2013; website Borns Kleinkoor. Foto’s: beeldbank Gemeentearchief Borne; G.F.J. Simonetti.
© BorneBoeit. Op onze artikelen en beeldmateriaal rust copyright.
Voor meer informatie raadpleeg de spelregels.